Copyright 2017 - Henk van den Beukel
ASSEN
In Assen gold in de achttiende eeuw, net zoals elders in Drenthe, de regel dat er maar drie joodse families mochten wonen: een slager, een koopman en een vilder. De eerste joodse koopman vestigde zich in 1750 in Assen. Hoewel de komst van een tweede joodse koopman in 1774 protest opriep, werd hij toch gedoogd. Tot 1800 bleven zij de enige joodse inwoners.
Assen1In de negentiende eeuw ontwikkelde Assen zich tot een economisch, sociaal en cultureel middelpunt. Als gevolg daarvan maakte de plaats een aanzienlijke bevolkingsgroei door. Ook het joodse bevolkingsdeel groeide in deze eeuw relatief sterk.
De eerst joodse inwoners van Assen hadden al in 1778 toestemming gekregen om een begraafplaats in te richten achter het Asscherbos op het Twijfelveld. Synagogediensten werden aanvankelijk in een huissynagoge gehouden. In 1832 werd de synagoge aan de Groningerstraat gebouwd, mede met behulp van giften van zowel protestantse als katholieke inwoners. 

De joodse gemeente van Assen werd in 1840 van een bijkerk van Hoogeveen tot een Ringsynagoge, met tal van instellingen. Zo was er een joodse school en waren er diverse verenigingen op maatschappelijk en cultureel gebied, zoals een begrafeniscollege, verenigingen ter bevordering van joodse kennis en ter verzorging van synagogaal textiel en rituele voorwerpen. Er was een jongerenvereniging en gedurende korte tijd, rond 1850, een joods amateur toneelgezelschap. Ook de armenzorg was in handen van de joodse gemeente.
Assen2Naast de begraafplaats aan het Twijfelveld maakte de joodse gemeente van Assen ook gebruik van de joodse begraafplaatsen in het naburige Norg, Veenhuizen, Rolde, Borger en Zuidlaren.
Door de komst van joodse gezinnen uit andere Drentse plaatsen bleef de gemeente groeien en werd de synagoge aan het einde van de negentiende eeuw te klein. In 1901 werd op dezelfde locatie in de Groningerstraat een nieuwe, grotere synagoge gebouwd, en ingewijd op 26, 27 en 28 juli. De stichtingssteen met Hebreeuwse tekst ('open voor mij de poorten van de gerechtigheid', Psalm 118:19) afkomstig uit de oude synagoge werd ingemetseld in de linker zijgevel. Op de steen boven de ingang staat ook een Hebreeuwse tekst ('zij geven dank aan Uw naam, zij bidden en smeken tot U in dit huis', I Koningen 8:33) en het jaartal (5)661 (=1901).Van de gunstige economische ontwikkelingen in Assen profiteerde ook de joodse gemeenschap.
In de twintigste eeuw waren de joden voornamelijk werkzaam als handelaars en veehandelaars, kleine fabrikanten, vleeshouwer en slager. Daarnaast waren er enkele joodse grondbezitters en ambtenaren.
Gedurende de bezettingsjaren werden ook de Assense joden het slachtoffer van de anti-joodse maatregelen, die overal van kracht werden. Toen de joodse kinderen in september 1941 uit het openbare onderwijs verwijderd werden, is er een joodse school opgericht. Deze heeft tot de zomer van 1942 bestaan. De meeste joden uit Assen zijn in oktober 1942 opgepakt en via Westerbork naar het oosten gedeporteerd. Een enkeling is teruggekeerd, slechts een tiental van de Assense joden overleefde de oorlog door onder te duiken.
De synagoge is in de oorlog beschadigd en de inboedel was grotendeels verdwenen. Het kerkbestuur verhuurde het gebouw vanaf 1947 aan de Vrijgemaakt Gereformeerden die het in 1951 kochten. Na hun vertrek in 1970 heeft het gebouw leeggestaan en was het in gebruik als meubelopslagplaats. In 1980 werd het gebouw gekocht door de Christelijke Gereformeerde Kerk die het sindsdien in gebruik heeft. De glas-in-loodramen die in 1932 door architect van Oosten gemaakt waren, zijn in 1974 overgebracht naar de recreatiezaal van kibboets Beth Kesjet.

In 1988 zijn de joodse gemeenten Assen, Emmen en Hoogeveen gefuseerd tot de Nederlands Israëlitische Gemeente Drenthe. In Assen houden drie monumenten de herinnering aan de omgebrachte joodse inwoners levend.


BEILEN
“In Beilen bestond sinds 1850 een georganiseerde joodse gemeente, maar deze viel tot 1885 onder de joodse gemeente van Assen. De synagogediensten werden in een klein, oud huis gehouden. BeilenKlnIn 1885 werd Beilen als bijkerk erkend en werd een nieuwe synagoge ingewijd. De bouw van de synagoge vond plaats met financiële steun van niet-joodse inwoners.
In 1860 werd een begraafplaats aan de Eursing aangekocht. Een genootschap droeg zorg voor de begrafenissen.  De joodse kinderen kregen godsdienstonderwijs van een leraar van buiten de plaats. Vanaf 1903 had dit schooltje een eigen gebouw. Voor het gebruik van het rituele bad was men aangewezen op Assen of Hoogeveen.

In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden Joodse Drenten door Nederlandse politieagenten uit hun huizen gehaald en naar het Kamp Westerbork getransporteerd. Slechts een enkele agent weigerde. Burgemeester Hendrik Jacob Wytema van Beilen weigerde om juridische redenen en werd direct uit zijn ambt wordt gezet (in 1945 wordt hij waarnemend-burgemeester van Westerbork)”.


BORGER
In Borger leefde aan het begin van de negentiende eeuw een joodse gemeenschap die sinds 1804 onderdeel uitmaakte van de joodse gemeente te Assen. BorgerDe begraafplaats aan de Marslandenweg was officieel vanaf 1865 in gebruik, maar mogelijkerwijze vonden er ook eerder al begrafenissen plaats.
In 1887 werd de synagoge aan de Koesteeg ingewijd. Elf jaar later, in 1888 werd de zelfstandige joodse gemeente Borger opgericht. Al spoedig bleek deze gemeente niet in staat te zijn aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Dit had tot gevolg dat zij in 1925 opgeheven werd en weer deel uit ging maken van de joodse gemeente van Assen. De bouwvallige synagoge werd in 1915 verkocht en in 1960 gesloopt.
In het dorpje Drouwen, in de omgeving van Borger, was tussen 1804 en 1846 een huissynagoge in gebruik.


COEVORDEN
“In 1697 kreeg voor het eerst een jood toestemming zich in Coevorden te vestigen en de plaatselijke Bank van Lening te pachten. Het werd hem toegestaan om in zijn huis de godsdienstige plichten te vervullen en ook werd er een stuk grond aangewezen als joodse begraafplaats. Gedurende de achttiende eeuw was de Bank van Lening veelal in handen van joodse pachters.
In 1760 woonde er een tiental joodse gezinnen in Coevorden. Tot de burgerlijke gelijkstelling in 1796 werden de rechten van de joodse ingezetenen van de plaats meerdere malen beperkt. Desondanks groeide de joodse gemeenschap vanaf het midden van de achttiende eeuw in snel tempo.
Coevorden1In 1768 ontstond er in Coevorden een georganiseerde joodse gemeente. De godsdienstoefeningen werden gehouden in een huis aan de Kerkstraat. Op het erf van dit huis werden de doden begraven. In 1840 werd op dezelfde plek werd een nieuwe synagoge neergezet, die in 1879 gerenoveerd werd.
De joodse gemeente van Coevorden beschikte over een godsdienstschool die ook door enige kinderen van het nabijgelegen Dalen bezocht werd. Er waren naast enige religieuze genootschappen, zoals een vereniging voor studie van de Thora, voor bedeling en voor de verzorging van de synagogale gebruiksvoorwerpen, ook een ontspanningsvereniging, een toneel- en gezelligheidsvereniging en een zionistische jeugdbeweging.
Coevorden telde twee joodse begraafplaatsen, waarvan de oudste, op het erf van de synagoge, aan het einde van de negentiende eeuw in onbruik raakte. De andere, die naast de Algemene Begraafplaats aan de Ballastweg lag, werd in 1894 ingericht. Ook in Dalen was in de achttiende en negentiende eeuw een joodse begraafplaats in gebruik.
In 1997 ontstond er in Dalen een initiatief om deze begraafplaats te restaureren. Nog in hetzelfde jaar werd er een gedenksteen geplaatst. De restauratie werd in juli 2001 voltooid met de plaatsing van een hekwerk.

Gedurende de Duitse bezetting werden de Coevordense joden getroffen door dezelfde beperkende maatregelen die ook elders in het land genomen werden. In oktober 1942 werd het merendeel van hen via Westerbork naar het oosten gedeporteerd. Slechts een gering aantal joden uit Coevorden overleefde de oorlog.
Het is niet duidelijk wat er gedurende de bezetting met de inventaris van de synagoge is gebeurd. In ieder geval werd een deel van de Thoramantels in Amsterdam verborgen. Na de oorlog is de synagoge verkocht en aanvankelijk gebruikt door de gereformeerde gemeente. Na een restauratie is het gebouw sinds 1976 in gebruik als streekmuziekschool. Een gedenkteken aan de muur houdt de herinnering aan de omgebrachte joodse inwoners van Coevorden in leven.
De joodse gemeente werd in 1958 officieel opgeheven en bij die van Emmen gevoegd. De oude begraafplaats op het erf van de synagoge werd geruimd, waarbij de stoffelijke resten zijn overgebracht naar de begraafplaats aan de Ballastweg. Tegenwoordig draagt de gemeente Coevorden zorg voor het onderhoud van de begraafplaats”.


DWINGELOO
Rond 1750 woonden er al een paar joden in Dwingeloo. Aan het begin van de negentiende eeuw, in de Franse tijd, bestond er een georganiseerde en officieel erkende joodse gemeente. Van een tiental gezinnen dat toen lid was, was de helft onbemiddeld. Ook de joodse inwoners van Beilen en Ruinen, samen zeven gezinnen, behoorden tot de gemeente van Dwingeloo.
In 1821 werd de joodse gemeente Dwingeloo een bijkerk in de Ring van Hoogeveen. Tot 1835 gebruikte men een kamer in een herberg voor de godsdienstoefeningen, daarna was de synagoge gevestigd in een gebouw dat tevens onderdak bood aan een smederij. Deze synagoge werd in 1846 opgeknapt en bleef daarna tot 1923 in gebruik. In dat jaar heeft een brand het gebouw verwoest; er is toen geen nieuwe synagoge meer ingericht.
De joodse gemeente had vanaf 1830 de beschikking over een eigen begraafplaats in Dwingelerzand, ook wel de Dwingeler Duinen genoemd.
De joodse inwoners van Dwingeloo woonden grotendeels dicht bij elkaar en speelden geen belangrijke rol in het openbare leven. De grootste omvang van de gemeente werd bereikt rond 1870.
Vanaf het begin van de eeuw tot de aanvang van de Tweede Wereldoorlog liep het aantal leden sterk terug. De enige joodse vereniging in Dwingeloo was het begrafenisgenootschap.
Tijdens de Duitse bezetting zijn vrijwel alle leden van joodse gemeenschap in Dwingeloo gedeporteerd en omgekomen in de concentratiekampen.
In 1950 werd de joodse gemeente van Dwingeloo officieel opgeheven en bij die van Hoogeveen gevoegd.



EMMEN
“Rond 1840 vestigden de eerste joodse handelaren zich in de turfkolonie Emmen. Aanvankelijk werden zij gerekend tot joodse gemeente van Coevorden, maar hun aantal nam zo snel toe dat Emmen in 1876 door het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap als zelfstandige gemeente erkend werd.
Emmen1In 1878 werd een synagoge ingericht, die in de volgende decennia nog enige malen vergroot zou worden. De joodse gemeente had van 1885 tot 1915 de beschikking over een eigen begraafplaats, gelegen aan het Oranjekanaal in de richting van het gehucht Westeres. In 1915 werd achter de synagoge aan de Julianastraat een nieuwe begraafplaats in gebruik genomen. Er was in Emmen een joodse godsdienstschool, een studiegenootschap voor mannen en een vrouwengenootschap voor het onderhoud van het synagoge-interieur. In twintiger jaren van de twintigste eeuw was er ook een joods toneelgroepje actief in Emmen.
Aanvankelijk hielden de meeste joodse inwoners van Emmen zich bezig met de handel tussen de boeren en de stad. Later hadden ze winkels, voornamelijk in de belangrijkste winkelstraat van Emmen. Toch waren de economische omstandigheden niet onverdeeld gunstig, rond de eeuwwisseling was ongeveer een vijfde van de joden in Emmen afhankelijk van ondersteuning.
Gedurende de bezetting werden in Emmen dezelfde anti-joodse maatregelen als elders van kracht. Het merendeel van de joden werd in 1942 gedeporteerd naar Polen en vervolgens omgebracht. Enkele tientallen onderduikers overleefden de oorlogsjaren. De synagoge diende als opslagplaats voor joodse bezittingen en is vrijwel onbeschadigd gebleven.
Na de oorlog werd er in Emmen weer een kleine joodse gemeente opgericht. Emmen2In 1974 werd de synagoge aan de Julianastraat aan de plaatselijke gemeente verkocht voor een symbolisch bedrag. Een jaar later werd het gebouw gerestaureerd. Ook in 1994 kreeg de synagoge een opknapbeurt. Twee gedenkplaten in de synagoge dragen de namen van de omgekomen joodse inwoners van de plaats.
Momenteel functioneert het gebouw af en toe als synagoge voor de Nederlands Israëlitische Gemeente Drenthe. In mei 2000 werd in de Julianastraat bij de synagoge een monument onthuld ter nagedachtenis aan de joodse oorlogsslachtoffers. Tijdens Grote Verzoendag van datzelfde jaar werd een bomaanslag gepleegd op de synagoge. Een jaar later werd het gebouw, geheel hersteld, weer ingewijd.
Ook het dorp Nieuw-Amsterdam (Veenoord) had vanaf 1899 een eigen synagoge. Hoewel er herhaaldelijke malen bij het N.I.K. een verzoek is ingediend om Nieuw-Amsterdam als zelfstandige gemeente te erkennen is dit niet toegestaan. Wel had het dorp aan de Boerdijk een eigen joodse begraafplaats, die tegenwoordig onderhouden wordt door de gemeente Sleen”.


HOOGEVEEN
“Aan het einde van de zeventiende eeuw wordt in Hoogeveen voor het eerst melding gemaakt van joodse inwoners. Vanaf het begin van de achttiende eeuw vestigen zich er blijvend joden. Toch worden er nog gedurende die gehele eeuw door de overheid van Hoogeveen allerlei maatregelen genomen om de komst en blijvende vestiging van joden zo moeilijk mogelijk te maken.
In 1755 ontstaat er een georganiseerde joodse gemeente, die vanaf datzelfde jaar synagogediensten houdt in een privé-woning aan de tegenwoordige Hoofdstraat. Ruim veertig jaar later, in 1799, wordt in de huidige Schutstraat een synagoge ingewijd. Dit gebouw is in 1865-1866 afgebroken en vervangen door een nieuwe synagoge.

Hoogeveen1Op de oudste begraafplaats, gelegen bij de Grote Kerk, dateren nog enige zerken uit de negentiende eeuw. Tussen 1700 en 1829 is er een joodse begraafplaats aan de Krakeelse Opgaande in gebruik geweest. In 1829 werd aan de Zuiderweg een nieuwe begraafplaats opengesteld.  Ook in het nabijgelegen dorp Ruinen was een joodse begraafplaats, gelegen aan de Monnikenweg.

In de negentiende eeuw breidde de joodse gemeente Hoogeveen zich flink uit. Ze werd in het midden van de eeuw, na Meppel de op een na grootste van de provincie. Wel werd de gemeente geplaagd door ernstige conflicten, zodat er een tijd lang door een scheuring sprake was van twee joodse gemeenten. In 1871 vond er een hereniging plaats. De kinderen volgden onderwijs op de plaatselijke joodse school. In 1872 werd een nieuw schoolgebouw in gebruik genomen.

Hoogeveen2Naast de kerkenraad en het armbestuur waren er in Hoogeveen diverse genootschappen actief die zich bezig hielden met liefdadigheid, hulp aan zieken en verzorgen van begrafenissen. Ook bestond er rond de eeuwwisseling een joodse toneelvereniging.
Tijdens het interbellum waren verscheidene joden lid van de gemeenteraad van Hoogeveen. In de dertiger jaren vestigden een tiental joodse vluchtelingen uit Duitsland zich in de plaats.

Tijdens de bezetting zijn in oktober 1942 bij één razzia vrijwel alle joden gearresteerd en via Westerbork naar de vernietigingskampen gedeporteerd. Enkele tientallen (acht-en-dertig) joodse inwoners van Hoogeveen wisten zich te redden door onder te duiken.
De synagoge, die in februari 1944 door de Duitsers geplunderd en beschadigd was, is in 1948 verkocht en deed jarenlang dienst als gereformeerd-vrijgemaakte kerk. In 1995 werd het gebouw verkocht aan de baptistengemeente.
Tegenwoordig bestaat er een actieve joodse gemeenschap in Hoogeveen, die sinds 1988 samen met Assen en Emmen gefuseerd is tot de NIG Drenthe.


MEPPEL
“Vóór 1700 wordt er zeer incidenteel melding gemaakt van joodse inwoners van Meppel. Vanaf de jaren dertig van de achttiende eeuw vestigen zich vaker joden in de stad. Dit is voor de plaatselijke autoriteiten aanleiding om de komst van nieuwkomers aan strenge regels te onderwerpen. Pogingen om de toestroom van joden te beperken werden tot het einde der achttiende eeuw ondernomen, maar sorteerden weinig effect.

Meppel1Tot 1767 begroeven de joden van Meppel hun doden in Zwartsluis. In dat jaar werd, bij de oprichting van de joodse gemeente Meppel, een begraafplaats aankocht op het Boddenkampje. Dit stukje grond (gelegen op de plaats van de huidige Burgemeester Knoppersbrug) werd korte tijd later verruild voor een terrein aan de Zomerdijk in Nijeveen. De statuten van de joodse gemeente dateren uit 1772. De godsdienstoefeningen werden in die periode nog in privé-woningen gehouden. Er was een voorzanger, die tegelijk als onderwijzer en ritueel slachter functioneerde.
Vanaf het einde van de achttiende eeuw groeide de joodse gemeente van Meppel zo snel, dat aan de Touwstraat een openbare synagoge gesticht kon worden. Toen dit gebouw in het midden van de negentiende eeuw te klein dreigde te worden, is het in 1865 gerenoveerd en vergroot. Ook de in 1819 aangelegde tweede begraafplaats van de joodse gemeente, aan de Steenwijkerstraatweg te Meppel was spoedig te klein en werd daarom in 1850 uitgebreid.
Bij de reorganisatie van de joodse gemeenten onder koning Lodewijk Napoleon in 1808 werd Meppel aangewezen als Hoofdsynagoge van het ressort. Na de oprichting van het NIK door koning Willem I was Meppel aanvankelijk ingedeeld bij het ambtsgebied van het opperrabbinaat van Overijssel en Zwolle, maar in 1853 werd de stad de residentie van het opperrabbinaat van Drenthe. De joodse gemeente Meppel werd geconfronteerd met vele conflicten, zowel intern als met het opperrabbinaat van Zwolle. Ten gevolge hiervan ontstond in 1875 een scheuring.

Meppel2Naast de kerkenraad en het kerkbestuur was er in Meppel een penningmeester voor het Heilige Land. Een Armbestuur droeg zorg voor de vele armlastigen. Ook kende de joodse gemeenschap een groot aantal genootschappen die zich bezig hielden met het begrafeniswezen, hulp aan ouden van dagen en aan wezen en het onderhoud van de synagoge en haar inboedel. Daarnaast was er een vrouwengenootschap en een Vereniging ter Beoefening van Welsprekendheid. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw werden een toneelvereniging en een dameszangvereniging opgericht, die slechts een kort leven beschoren waren. Ook de Maatschappij tot Nut der Israëlieten, de Alliance Israélite Universelle en de Nederlandse Zionisten Bond hadden een afdeling in de stad.
De in 1817 in Meppel opgezette joodse school kwam pas enige decennia later goed op gang. Het schoolgebouw stond tegenover de synagoge. Gedurende de jaren 1853 en 1854 kwam in Meppel het traditioneel-joodse weekblad De Israëliet uit, dat gericht was tegen het hervormingsgezinde Amsterdamse Israëlietisch Weekblad. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren joden zeer actief in economische, sociale en politieke organisaties, waaronder de gemeenteraad.

Ondanks een sterke teruggang van het ledental in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw, was Meppel aan de vooravond van de Duitse inval een middelgrote joodse gemeente. De meeste joden woonden in de belangrijkste winkelstraten en waren werkzaam in de handel en industrie. Uit hun midden werden enige wethouders, gemeenteraadsleden en loco-burgemeesters gekozen. In de jaren dertig verwierf Meppel de bijnaam 'Klein Rotterdam', dankzij de grote economische activiteit. Naast een zionistische jeugdbeweging werden er in de vooroorlogse jaren ook nog een literaire damesclub en een jongeren- en studievereniging opgericht.
Meppel3Vanaf augustus 1942 werden joodse jongemannen uit Meppel overgebracht naar werkkampen en vonden tevens de eerste deportaties naar Westerbork plaats. Het merendeel van de joodse inwoners van Meppel werd begin oktober 1942, op Grote Verzoendag, met medewerking van de Nederlandse politie opgepakt en gedeporteerd. Hun huizen werden leeggehaald en het meubilair werd opgeslagen in de synagoge. Slechts een tiende van de Meppelse joden overleefde door onder te duiken de vervolgingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de omgeving van de stad doken ook enkele tientallen joden uit andere plaatsen onder.
Tijdens de bezetting is het interieur van de synagoge zwaar beschadigd. De Heilige Ark werd volledig vernield, een deel van de Thora-rollen werd overgebracht naar Amsterdam, de overige zijn verloren gegaan. De rituele voorwerpen bleven behouden en zijn na de oorlog aan de synagoge van Eindhoven geschonken. In 1944 werden de kinderen van gemengd gehuwden tewerkgesteld in het nabijgelegen Havelte.

Na de oorlog keerden slechts enkele joden naar Meppel terug. De joodse gemeente is in 1964 officieel opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd. De synagoge, die kort na de oorlog verkocht was, is in 1960 in het kader van een stadsvernieuwing afgebroken, net als de joodse school in de Touwstraat.



SLEEN
De joodse gemeente Sleen werd omstreeks 1825 opgericht. Voordien vielen de joden uit de plaats onder de gemeente Coevorden. Er bestond echter in Sleen reeds aan het einde van de achttiende eeuw een begraafplaats, gelegen aan de Boterakkerweg. De synagoge aan de Straatweg was vanaf 1859 in gebruik.

In 1919 werd de joodse gemeente van Sleen opgeheven en bij die van Emmen gevoegd. De bouwvallige synagoge werd verkocht. De plaatselijke overheid draagt tegenwoordig zorg voor de begraafplaats.
In het nabij Sleen gelegen dorp Zweeloo woonden vanaf het begin van de negentiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog enkele joodse families.

SMILDE
“Kort voor 1780 vestigden zich enkele joden in Smilde, wat gepaard ging met tegenwerking van de plaatselijke bevolking. Deze problemen duurden tot in de negentiende eeuw voort. De provinciale autoriteiten moesten nog in 1806 ingrijpen ten gunste van de joden in Smilde.

De joodse gemeenschap maakte in de eerste helft van de negentiende eeuw een aanzienlijke groei door en organiseerde zich al voor 1821 tot een godsdienstige gemeente. Officieel viel deze tot 1825, het jaar waarin zij als Bijkerk binnen het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap erkend werd, onder de joodse gemeente Dwingeloo.

Smilde1In 1846 werd een synagoge gebouwd in Kloosterveen, één van de dorpen waaruit Smilde is samengesteld. Twee jaar later werd een begraafplaats aangekocht aan de Drentse Hoofdvaart. Naast een kerkbestuur en een kerkenraad was er in Smilde ook een penningmeester voor het Heilige Land. Aan de kinderen werd in een schooltje joods onderwijs gegeven.
In de vijftiger jaren van de negentiende eeuw raakte de joodse gemeenschap van Smilde korte tijd verdeeld door een intern conflict dat spoedig opgelost werd. De joodse inwoners van Smilde waren over het algemeen werkzaam in de handel en de vleeshouwerij. Daarnaast waren zij ook betrokken bij het maatschappelijk leven in Drenthe en Groningen.
Vanaf de zestiger jaren van de negentiende eeuw nam de joodse gemeente van Smilde in omvang langzaam af; aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog had zij de facto opgehouden te bestaan.

Tijdens de bezetting zijn vrijwel alle joodse inwoners van Smilde gedeporteerd en vermoord. In 1943 werd de joodse school verbouwd tot woonhuis. Wat er met het meubilair en de rituele voorwerpen van de synagoge gebeurd is, is niet bekend. Het gebouw zelf is na de oorlog afgebroken. In 1950 is de joodse gemeente bij die van Assen gevoegd. De begraafplaats wordt tegenwoordig door de plaatselijke overheid onderhouden.


ZUIDLAREN
“Zuidlaren werd in 1883 een zelfstandige joodse gemeente en ruim een jaar later werd er aan de Zuiderstraat een synagoge ingewijd. Aan de voet van de hunebedden achter de Wolferdinge lag een joodse begraafplaats. De joden van Zuidlaren waren werkzaam in de handel, het slagersvak en het onderwijs.  In 1925 werd de inmiddels aanzienlijk geslonken joodse gemeente opgeheven. Het gebied van Zuidlaren, Anloo en Vries kwam bij Assen; Eelde werd bij Groningen gevoegd.

Tijdens de bezetting werden verreweg de meeste joodse inwoners van Zuidlaren gedeporteerd en omgebracht. Een enkeling wist onder te duiken en zo te overleven. Het synagogegebouw kreeg na de oorlog een andere bestemming.